Paul’s column: Dickie L.

Iedere vereniging heeft wel een Dickie binnen de gelederen. Sommige noemen het een juweeltje in de dop. Anderen een groei briljant of het talentje van de club.

Officieel heette hij Dirk Jan Langeveen. Een iel ventje die alleen met zijn moeder in een doodlopend straatje woonde in het dorp. Zijn moeder kon amper de eindjes aan elkaar knopen en had twee banen. Dickie voetbalde elke dag op straat, op het schoolplein of op de rijksweg in aanleg. Want die was zo lekker egaal. Hij voetbalde altijd in het eerste team van zijn categorie. Kenners riepen dat hij geboren was met de bal aan de voet, of dat hij lijm aan zijn voetbalschoenen had en binnen niet al te lange tijd naar een profclub zou gaan. Een onnavolgbare passeerbeweging, positioneel altijd goed staand, een fluwelen trap en een geweldige timing om de lucht in te gaan. Dat was Dickie. In mijn tweede jaar als jeugdleider kwam Dickie bij mij in het elftal. Hij was toen 10 jaar. Ondanks zijn voetbalkwaliteiten was het geen geboren leider, maar net als zoveel wereldvoetballers eerder een lastig binkie. Diep in mijn hart had ik een zwak voor Dickie. Met zijn glimlach en een knipoog kreeg hij veel voor elkaar. Ik wist hoe zwaar zijn moeder het had en dat ze dit snuitertje helemaal alleen moest opvoeden. Als club hadden we Dickie een klein beetje geadopteerd. Voetbalschoenen die een ander te klein waren maar nog heel, kreeg Dickie. Met het voetbaltenue ging het al net zo. Over contributie werd helemaal niet gesproken. Tot zijn 14e levensjaar genoot iedereen van hem en hij genoot van het voetbal. Maar net als zoveel van zijn leeftijdsgenootjes ging Dickie alles uitproberen. Roken en drinken. Eerst stiekem, maar later gewoon in het openbaar. Voetballen deed hij nog als de beste, maar wanneer hij niet op de club was haalde hij heel wat rottigheid uit.

Het was een straatschoffie eerste klas. Wanneer hij weer wat had uitgehaald in het dorp en hij werd door de heilige hermandad aangesproken of aangepakt, keek hij ze aan met zijn grote ogen en meestal kwam hij er met een standje af. Niet meer doen Dickie. “Nee meneer” riep hij dan, gaf een knipoog en met zijn ontwapende glimlach liep hij richting huis. Ik ben hem uit het oog verloren toen hij ‘verkeerde’ vrienden kreeg en ook s ’nachts niet meer thuis kwam. Ook zagen we hem soms weken niet op de club waarvan hij nog altijd lid was en nog steeds de beste voetballer was. Als we zijn moeder vroegen waar hij uithing, moest zij ook ontkennend antwoorden. Vaak liep zij met afgezakte schouders door het dorp. De last van alles en iedereen meetorsend. Later is zij verhuisd naar een stad buiten de provinciale grenzen.

Toch blijven dit soort spelers altijd zweven in de club. De verhalen worden mooier en mooier en iedereen had wel iets met Dickie. Of het nu in de bestuurskamer is met het kader van de bezoekende vereniging, of met oud leden die nog af en toe komen kijken, iedereen vraagt nog naar die goeie voetballer met dat muizensmoeltje en waar of hij terecht is gekomen. Wij halen dan onze schouders op. Ook wij weten het niet. Wij wijzen wel naar die vergeelde foto’s aan de wand in de kantine en spelersgang. Hier staat hij. Hier ook. De mooiste foto hangt in het midden. De kampioensfoto van de C1. Dickie mocht de beker vasthouden.

Toen ik een keertje, terwijl ik voor mijn werk langere tijd ver weg moest en dus 4 dagen in een hotel aan de rand van onze landsgrenzen zat, Dickie plots weer tegen kwam. Het hotel stond naast de plaatselijke voetbalclub waar tijdens mijn verblijf een avondwedstrijd gespeeld werd. Terwijl ik met mijn kartonnen bekertje koffie naar de plaatselijke jeugd stond te kijken, viel mij één spelertje op. Een onnavolgbare passeerbeweging en een fluwelen trap. Ik kon mijn ogen niet geloven. Aan de overkant in de dug-out gebaarde de leider naar het spelertje. Je moet om je heen kijken. Hou je loop en bal-lijn in de gaten. Ik wreef in mijn ogen en liep om het veld heen richting de dug-out. Daar aan gekomen keken we elkaar aan. Het eerste wat de coach zei was, “ Hallo trainer, niets mis mee hé. Lekker voetballertje”. “hallo Dickie” antwoorde ik terug. “long time, no see. Ja lekker spelertje”. “mijn zoon” riep Dick. “het wordt een betere voetballer dan zijn vader, zonder rottigheid uit te halen. Daar zorg ik wel voor” en ging verder met het coachen van zijn team

Na de wedstrijd hebben we nog herinneringen opgehaald. Toen ik vroeg hoe het met zijn moeder was, vertelde Dick dat zij vorig jaar overleden was. Ze was op. De zoon van Dick kwam de kleedkamer uit en ik stelde mij voor. “ik heet kiepert en ben vroeger de leider van je vader geweest”. “Ik heet Dickie” zei het binkie. “Pap, mag ik wat drinken” vroeg Dickie. “Tuurlijk” zei zijn vader en samen liepen ze de kantine in. Bij het naar binnengaan, keken ze nog één keer om en tegelijkertijd gaven ze mij een knipoog.

Kiepert.

Wil je reageren op deze column? Doe dat dan vooral en contact ons via redactie@voetbalinhaarlem.nl.

Paul - Voetbal in Haarlem

PAUL CRAMER, 1966 (Santpoort). Werkzaam als elektrotechnisch inspecteur bij DuurzaamNL Amsterdam. Gevoetbald bij sv CTO ’70 te Duivendrecht, APGS in Amsterdam en in de woensdag 3 van SVIJ. Gehuwd en vader van drie kinderen. Nu keeperstrainer bij VVH Velserbroek en jeugdvoorzitter bij vv CTO ’70.