De vrije ruimte: Dave Binkhorst

Zondag

Het is zondag ochtend. Uur of 10. Van de week werd ik gebeld door de jongens die ik mijn vrienden kan en mag noemen. Ze belde met de vraag of ik wat te doen had op zondag ochtend om 11 uur. Een potje voetballen, de jongens hadden mij nodig. Ze hadden iemand nodig. Ik had zin, en ik heb het nog steeds.

Mijn voetbaltas is al zeker 20 jaar oud. Toen ik vanochtend mijn spullen In de tas stopte, vond ik een oude scheenbeschermer. Er zitten scheuren in en hij stinkt. Ik kan hem niet weggooien soms moet je niet met je ogen naar iets kijken maar, met je hart. Ik kreeg de tas van mijn vader.

Als ik onderweg ben naar de club met mijn tas voel ik mij weer een jongetje van 12. Op het moment dat ik de tas draag kan ik nog een profvoetballer worden. Als ik er bijna ben verschijnen er jeugdpuistjes in mijn oudste dromen. Ik kom de kantine in en zie dat het druk is, allemaal ouders die profvoetballers zien in hun kind, tenminste in hun ogen zijn ze dat.

Achter de bar staat een meisje met getekende wenkbrauwen. Ze legt een servetje in een patat bakje en legt er een aangebrande tosti in. Soms zijn we voor een tosti liever dan voor elkaar. Mijn vrienden zitten in een hoek te wachten tot iedereen er is. Ik ben de laatste. Ze ruiken naar gisteravond en praten over gisteravond. Ik geef ze allemaal een knuffel en begroet ze. ‘’Waar zijn jullie geweest gister? Het ruikt naar bier.’’ Vraag ik. ‘’In Amsterdam. We hebben 11 man vandaag. Je staat in de basis.’’

In de kleedkamer ruikt het naar tijgerbalsem, zweet en bier. De scheidsrechter draagt een spijkerbroek en alleen onze vaders staan langs de lijn. Dit is amateur voetbal met hoofdletter A. Mijn directe tegenstander ziet eruit alsof hij weet hoe een gevangenis bed ligt. Hij draagt geen scheenbeschermers. ‘’Waarom draag je geen scheenbeschermers.’’ Vraag ik. ‘’Omdat, ik alleen uitdeel. Ik incasseer nooit.’’

Het is de 12de minuut. Een corner. mijn teamgenoot trapt hem voor. De bal zweeft door de lucht. Het is geen lekkere bal de spijkerbroek heeft hem veel te hard opgepompt. Ik haat koppen maar dit word mijn moment, ik voel het. Ik geef mijn tegenstander een tik tegen zijn scheenbeen. Hij bukt, ik spring. Mijn vrienden juichen, ze proberen mij op te tillen maar dat lukt ze niet. Ik wijs naar de zijkant. Ik hoop dat me vader trots is want, voor even ben ik een profvoetballer.

Tekst: Dave Binkhorst